Van Acker stichting
  • Home
  • Over de VAS
  • Achiel & Frank
    • Achiel Van Acker
    • Frank Van Acker: visionair burgemeester voor Brugge (Dirk Michiels)
  • Over de sociale zekerheid
    • Sociaal Pact van 24 april 1944
    • Besluitwet 28/12/1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
    • Evolutie sociale wetgeving
    • Solidariteit is geen thema meer
    • 80 jaar besluitwet
  • Van Acker Prijs
    • Mieke Dobbels (2023)
    • Ish Ait Hamou (2020)
    • Marleen Temmerman (2018)
    • Lieve Blancquaert (2016)
    • Daan Stuyven (2014)
    • D. Van Reybrouck (2012)
    • Gebr. Dardenne (2010)
    • Dirk Brossé (2008)
    • Coppens / Poot (2005)
    • Alain Platel (2003)
  • Activiteiten
  • Contacteer Ons
  • Privacyverklaring
  • Home
  • Over de VAS
  • Achiel & Frank
    • Achiel Van Acker
    • Frank Van Acker: visionair burgemeester voor Brugge (Dirk Michiels)
  • Over de sociale zekerheid
    • Sociaal Pact van 24 april 1944
    • Besluitwet 28/12/1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
    • Evolutie sociale wetgeving
    • Solidariteit is geen thema meer
    • 80 jaar besluitwet
  • Van Acker Prijs
    • Mieke Dobbels (2023)
    • Ish Ait Hamou (2020)
    • Marleen Temmerman (2018)
    • Lieve Blancquaert (2016)
    • Daan Stuyven (2014)
    • D. Van Reybrouck (2012)
    • Gebr. Dardenne (2010)
    • Dirk Brossé (2008)
    • Coppens / Poot (2005)
    • Alain Platel (2003)
  • Activiteiten
  • Contacteer Ons
  • Privacyverklaring

​Sociaal Pact van 24 april 1944

Ontwerp van overeenkomst tot sociale solidariteit (1944) 
Na beide standpunten belicht te hebben, erkennen de werkgevers- en de werk nemersvertegenwoordigers dat de goede gang der ondernemingen, waarmede de  algemene welvaart van het land verband houdt, alleen door een trouwe samen-werking  kan geschieden. 
Zij wensen een verstandhouding tussen werkgevers en werknemers tot stand te brengen,  welke gegrond is op wederzijdse eerbied en op een wederkerig erkennen van rechten en  plichten. 
De werknemers eerbiedigen het wettig gezag van de hoofden der ondernemingen en  stellen er een eer in, hun werk plichtsgetrouw uit te voeren. 
De werkgevers eerbiedigen de waardigheid der arbeiders en stellen er een eer in hen met  rechtvaardigheid te behandelen. Zij verplichten zich ertoe, hun vrijheid van vereniging en  de uitbreiding van hun organisaties direct, noch indirect te hinderen. 
Van deze geest vervuld, kwamen beide partijen overeen om aan de regering te vragen,  zodra het land zijn onafhankelijkhe id zal hebben teruggekregen, een reeks dringende  maatregelen te treffen met de bedoeling tegemoet te komen aan de gedurende de  bezetting door het merendeel der arbeiders ondervonden ellende, en die ook de weg  kunnen openen voor een nieuwe maatschappelijke vooruit-gang, gevolg van een  economische ontwikkeling van een weder tot vrede gebrachte wereld, zowel als van een  rechtvaardige verdeling der voordelen van een stij-gende productie. 
Deze dringende maatregelen hebben voornamelijk betrekking op het loonstelsel, de  instelling van een volledig systeem van sociale zekerheid voor de werknemers met als  ondergrond de nationale samenwerking, en het herstellen of het invoeren van stelsels van  paritaire samenwerking tussen werkgevers- en werknemers-organisaties. 
Deze maatregelen zullen, hoewel het grondbeginsel ervan - de stoffelijke en morele  welvaart van de arbeiders te verhogen en tussen hen en de werkgevers vreedzame, op  rechtvaardigheid berustende betrekkingen aan te knopen - vast-staat, wegens de  dringendheid, van tijdelijke aard moeten zijn. Aan de wetgevende kamers zal worden  gevraagd daarvoor zodra mogelijk een definitieve regeling te treffen. 
I. LONEN 
1. De economische bedrijvigheid heeft tot doel voortdurend de bestaansvoorwaarden der  bevolking te verbeteren. Vertegenwoordigers van werkgevers en van werknemers zullen  dus onder alle omstandigheden zoeken naar de middelen om aan de lonen de grootst  mogelijke koopkracht te geven, welke overeenstemt met de omstandigheden, en om ze te  verhogen in verhouding van de vooruitgang van techniek en handel. Voor de vaststelling  der loongrondslagen zullen de methodes van paritaire samenwerking worden toegepast,  waarover hierna wordt gesproken.
2. De sedert 10 mei 1940 getroffen maatregelen hebben het ontstaan van een groeiende  wanverhouding tussen de kosten voor levensonderhoud en de lonen ten gevolge gehad.  Een algemene wederaanpassing van de lonen, onmiddellijk na de bevrijding van het land,  zal onvermijdelijk zijn om daaraan, dadelijk van het begin af, een koopkracht te geven,  die voldoende is voor de behoeften, waaraan voldaan zal kunnen worden in verband met  de op de markt komende artikelen. Het doel dat bereikt moet worden gedurende het  overgangstijdperk is het herstel binnen de kortst mogelijke tijd, van de koopkracht der  arbeiders tot het peil van voor de oorlog. 
3. De heersende toestanden zullen natuurlijk een onmiddellijk terugkeren tot de normale  levensstandaard der bevolking niet mogelijk maken. Deze zal slechts langzamerhand, al  naar het op de markt komen van de vroegere reeksen artikels, bereikt kunnen worden.  Zolang de aanvoer van voorraden niet weder normaal is geworden, zal dienvolgens de  rantsoenering moeten blijven bestaan, ten einde een rechtvaardige verdeling van de  beschikbare waren te verzekeren. De Staat zal de nodige maatregelen moeten treffen  opdat de rantsoenen der voornaamste levensmiddelen zodra mogelijk in belangrijke mate  verbeterd worden, zowel in hoeveelheid als in hoedanigheid. 
4. Het vraagstuk van de lonen houdt ten nauwste verband met da t van de prijzen en dat  van het geld. Van economisch standpunt gezien, zijn deze drie zaken onderling van  elkaar afhankelijk en het treffen van overeenstemmende maatregelen aangaande de  sanering van de binnenlandse geldomloop, de wederaanpassing der prijzen en het weder  op peil brengen der lonen zal een eerste voorwaarde zijn tot een economisch en financieel  opbeuren van het land. 
5. Daar de lonen een zeer belangrijk deel uitmaken van de productiekosten, zou een  vaststelling ervan op een peil buiten verhouding tot de economische toestand van het  ogenblik automatisch op de binnenlandse prijzen terugslaan. Dat zou niet slechts een  heraanpassing van de prijzen verhinderen, doch tevens het uitgangspunt kunnen  betekenen van een voortdurende beurtelingse verhoging van de prijzen en de lonen en  van een inflatieproces dat een sanering van het geld onmogelijk zou maken en een  depreciatie van de wisselkoers met zich zou brengen. 
De arbeiders zouden de eerste slachtoffers worden van dergelijke toestand, waaruit, zoals uit vroeger opgedane ondervinding duidelijk blijkt, onherroepelijk een vermindering van  de reële waarde van het loon zou voortvloeien en die de voordelen van de sociale  verzekeringen, welker voortdurende aanpassing ernstige moeilijkheden zou verwekken,  te niet zou kunnen doen. 
In het belang der arbeiders zelf zal dus in de eerste plaats getracht moeten worden aan de  Belgische frank na de oorlog een zo groot mogelijke waarde te geven. Ingeval enige  devaluatie onvermijdelijk mocht zijn, zal deze tot het minimum beperkt moeten blijven. 
6. Verder zal moeten gezorgd worden voor het tot stand komen, tussen de Belgische  economie en die der landen met de grootste invloed daarop, te weten hoofdzakelijk die 
van Engeland, van een voldoende evenwichtstoestand, waardoor grote onderlinge  verschillen in koopkracht vermeden zullen worden. Dat wil zeggen dat de wisselkoers  voor het Pond Sterling, waarvan de waarde van ons geld zal afhangen, zo gunstig moet  vastgesteld worden als slechts mogelijk is bij de bestaande toestand en de mogelijkheden  van aanpassing van de prijzen, de lonen en de geldomloop in ons land bij het einde der  vijandelijkheden, rekening gehouden natuurlijk met de waarschijnlijke schommelingen  van die factoren. 
Men zou bijvoorbeeld van mening kunnen zijn dat het vaststellen van een wisselkoers  van l50 Belgische frank voor een Pond Sterling, welke ongeveer de gemiddelde koers in  de jaren 1936 tot 1938, de laatste normale periode voor de huidige gebeurtenissen, was,  redelijk zou zijn. In de veronderstelling dat de Engelse prijzen na de oorlog niet merkelijk  hoger zullen zijn dan 130 tot 140 % van de prijzen in 1936-1938, peil dat in Engeland  thans ongeveer bereikt is door de kosten voor levensonderhoud en de kleinhandelsprijzen,  zou voor aanneming van deze wisselkoers vereist zijn dat het algemene prijzenpeil in  België niet boven een index van 150 in verhouding tot 1936-1938 zou komen. 
7. De regering zal er niet toe in staat zijn dadelijk na afloop van de oorlog de prijzen op  het algemeen gewenste peil te brengen. Echter zal een tussenkomst van de Staat op  financieel gebied tot het verkrijgbaar stellen van de belangrijkste levensmiddelen voor  alle lagen der verbruikers tegen passende prijzen van grote betekenis kunnen zijn. Samen  met de op geldelijk gebied te nemen maatregelen, zal dat bijdragen tot de  wederaanpassing van een algemene prijsvorming. Verder zal dat toelaten dat niet  onmiddellijk bij het begin de lonen behoeven te worden vastgesteld op het bestaande peil voor levensonderhoud, een peil dat door de omstandigheden verre van juist is, terwijl  desniettemin een met de omstandigheden overeenkomende koopkracht wordt verschaft. 
8. De volgende artikelen zouden voor deze tussenkomst in de termen kunnen vallen :  brood, aardappelen, melk, boter, olie, margarine, suiker, vlees, spek en dierlijke vetten,  koffie, chocolade, zeep, kolen, gas en elektriciteit. Volgens het budgettair onderzoek van  1929, maken deze artikelen tezamen 58,8 % uit van de totale uitgaven der arbeiders. 
De officiële kleinhandelsprijzen voor voedingswaren in België, de enige waarvan enige  vergelijking mogelijk is, zijn op het ogenblik gerezen tot boven een indexcijfer van 200  in verhouding tot dat van 1936-1938, hetgeen, in de veronderstelling van aanneming van  
een prijzenpeil van l50 % van dat van 1936-1938, een wederaanpassing van ten minste 20  % zou nodig maken. Gedane schattingen laten echter aannemen dat de voor de  gemeenschap te verwachten last niet overdreven zal zijn. 
9. Daar vaststelling van een volledige index voor de kleinhandelsprijzen of van de kosten  van het levensonderhoud, zoals vroeger geschiedde, onmogelijk is zolang de markt niet  weder normaal van alle artikels is voorzien, zal het vergelijkingscijfer voor de  vaststelling van de lonen gedurende de overgangsperiode bepaald worden door het  beperkt indexcijfer van de artikels bij de prijzen waarvan de regering ingrijpt. Wegens het  beperkt aantal artikels waarop het betrekking heeft zal dit cijfer naar juiste verhoudingen  moeten vastge steld worden.
10. Op voorgenoemde grondslagen zal aan de regering worden gevraagd het algemene  loonpeil voorlopig vast te stellen in verhouding tot het algemene loonpeil van de jaren  1936-1938. Die voorlopige vaststelling zal, naar gelang de omstandigheden en rekening  houdende met raadgevingen der paritaire comités, herzien worden. 
11. Terwijl de regeling der lonen op het bovenbedoeld peil aan de arbeiders voldoende  inkomsten zal moeten verschaffen tot het zich aanschaffen van op dat ogenblik werkelijk  verkrijgbare artikels, zal in het begin aan een gedeelte der gewone behoeften toch niet  voldaan kunnen worden. Waar het de arbeidersbevolking nu reeds als gevolg van  verscheidene oorlogsjaren aan bijna alles ontbreekt, zal het zich opnieuw aanschaffen in  uitgebreide mate van kleren, schoeisel, onderhouds- en huishoudelijke artikels, meubels,  enz. binnen de kortst mogelijke tijd mogelijk gemaakt moeten worden. 
Het gaat daarbij om behoeften van geheel bijzondere en tijdelijke aard, waaraan dus door  bijzondere en tijdelijke maatregelen tegemoet gekomen moet worden en niet door de  lonen die dienen om de normale behoeften der arbeiders te dekken. 
12. Daarom zal aan deze bijzondere behoeften tegemoet worden gekomen door het  toestaan van tijdelijke extratoelagen ten laste van de werkgevers. Deze toelagen, waarbij  rekening zal moeten worden gehouden met de gezinslasten, zullen van tijd tot tijd, al naar  de artikelen verkrijgbaar 
worden gesteld, bij gedeelten worden toegekend binnen een termijn die afhankelijk is van de omstandigheden, maar die in beginsel kan worden aangenomen op een jaar,  aanvangend bij het einde der vijandelijkheden. Voor een aantal artikels op het gebied van  kleren en schoeisel zullen deze toelagen verstrekt kunnen worden in de vorm van bons  waardoor aan de belanghebbende personen de voorrang kan worden gegeven voor het  bekomen der producten die volgens een door de overheden op te maken fabricageplan  aan de markt zullen worden gebracht. 
13. Te voorzien valt dat de toestand van sommige ondernemingen of misschien van  sommige nijverheidstakken gedurende de eerste maanden na de oorlog zodanig zal zijn  dat deze de meerdere uitgaven, volgend uit deze toelagen, niet zullen kunnen dragen. Er  zal naar een geëigende wijze van financiering, bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van  kredieten onder gunstige voorwaarden bij de officiële inrichtingen, moeten worden  uitgezien opdat de er uit voortkomende lasten over een voldoende lange termijn kunnen  worden verdeeld. 
14. Het overgaan tot een herinrichting als boven beschreven zal ondernomen worden  onder de bescherming van een voorlopig fonds tot huishoudelijke herinrichting voor de  werknemers, dat het karakter van een openbare instelling zal bezitten en dat, onder  toezicht van de Staat, beheerd zal worden door een Nationale paritaire Commissie van  vertegenwoordigers der werkgeversverenigingen en der syndicale arbeidersorganisaties. 
Deze commissie zal bevoegdheid bezitten voor de volgende zaken :
a) de toekenning van de toelagen en de bons, waarbij rekening dient gehouden met de  markttoestand op de verschillende tijdstippen; de aanpassing van het bedrag daarvan - zoals die zal volgen uit de besluiten der bevoegde paritaire commissies of der centrale  
paritaire commissie - aan de werkelijke behoeften der belanghebbend en in verband met  de samenstelling van hun gezin; het bepalen van voorkeurrechten ten gunste van hen die  de zwaarste gezinslasten hebben, invaliden en of slachtoffers van de beide oorlogen; de  
toekenning van bons en toelagen ten laste van de Staat, aan steunbehoevende werklozen;  alsook de te voorziene uitsluitingen; 
b) het verkrijgen van de officiële instellingen der nodige kredieten voor de voorziene  financiering en het verzekeren van de terugbetaling daarvan onder zo gunstig mogelijke  voorwaarden; 
c) hulp aan de autoriteiten bij opstelling en uitvoering van een plan betreffende de  fabricage van producten waaraan dringende behoefte bestaat en de verkoop daarvan. 
II. ARBEIDSDUUR 
15. De voor de oorlog van kracht zijnde wetten en overeenkomsten met betrekking tot de  arbeidstijd zullen onmiddellijk weder worden ingevoerd. 
III. SOCIALE ZEKERHEID DER ARBEIDERS 
A. - Ouderdom en vroegtijdig overlijden 
16. De ouderdomsrenten, volgende uit de thans van kracht zijnde wetten, zullen opnieuw  verhoogd worden. De normale rente, te betalen bij een leeftijd van 65 jaar, zal voor een  echtpaar gebracht worden op 50 % van het gewone loon, waaronder verstaan wordt het  loon dat gewoonlijk door het merendeel der arbeiders wordt verdiend. Alleenstaande  gepensioneerden zullen een verhoging in dezelfde verhouding genieten. 
Voor weduwen zal het normale op 55 jaar te verkrijgen pensioen verhoogd worden tot het  bereiken van 3.000 frank. De toelagen voor wezen zullen verdubbeld worden. 
17. Ter dekking van de daardoor verhoogde lasten zullen werkgevers en werknemers,  onder voorbehoud van het onder de punten 18 en 19 vermelde, bijdragen storten van,  voor elke der beide partijen, 3,5 % van het bedrag der lonen, dus in totaal 7 %. Een deel  van deze som is bestemd ter betaling van de bijdragen door werknemers en werkgevers  voorzien bij de verschillende pensioenwetten, ten einde gekapitaliseerd te worden op de  individuele rekening van iedere verzekerde. Het overige is bestemd voor de verhogingen  door middel van verdeling. 
18. Voor de bedienden zullen de verplichte bijdragen worden geheven tot een jaarlijkse  wedde van 36.000 frank en de verhoging, nodig om het pensioen te brengen tot een  minimum voorzien voor de werklieden bij punt 16 hierboven zal zonder onderzoek 
worden toegestaan aan alle verzekerden wier wedde gedurende de laatste vijf jaren niet  hoger is geweest dan 42.000 frank. 
Hiertoe zullen de bijdragen worden vastgesteld op 4,25 % van de wedde tot een bedrag  van 36.000 frank per jaar, zowel voor de werkgevers als voor de bedienden, dus tezamen  8,5 %. 
19. De mijnwerkers en daarmede gelijkgestelden zullen het voordeel van het thans  verkregen pensioenstelsel behouden. De daaraan verbonden extrauitgaven zullen gedekt  worden bijvoorbeeld hetzij door de Staat, hetzij door een aan de mijnwerkers of aan hun  werkgevers op te leggen extrabijdrage, hetzij door een bijzondere aan de verbruikers van  kolen op te leggen en in de prijs te berekenen belasting, hetzij door twee of meer dezer  maatregelen gezamenlijk. 
20. De arbeidersvertegenwoordigers behouden het recht aan de regering te vragen het  pensioen op een peil van meer dan 50 % van het gewoonlijk betaalde loon te brengen,  door een kosteloze extra-verhoging ten laste van de staatskas. 
Door de arbeidersvertegenwoordigers werd het vraagstuk van de verkrijging van een  passend pensioen op de leeftijd van 60 jaar opgeworpen. Er werd overeengekomen dat dit  vraagstuk in studie genomen zal worden in het licht van de economische en  demografische toestanden. 
B. - Ziekte en vroegtijdige invaliditeit 
21. In geval van ziekte of vroegtijdige invaliditeit, zal de sociale verzekering dadelijk van  kracht verklaard worden voor alle onder de wet op de ouderdomsrente vallende  werknemers. 
Benevens de gezondheidszorgen die de verzekerden en hun gezinsleden tot aan het  overlijden op de tot heden door de mutualiteitsverenigingen verbeterde grondslag zijn toegezegd, zullen de verzekerden ontvangen : 
a) in geval van ongeschiktheid tot werken, een vergoeding gelijk aan 60 % van het  daardoor niet verdiende salaris, onder voorbehoud, voor elke periode van ongeschiktheid,  van een wachttijd van de eerste drie werkdagen voor de werklieden en van 30 dagen,  werkdagen of andere, voor de bedienden, wier wedde gedurende de eerste maand van  ziekte door de werknemer betaald moet worden; 
b) na een jaar van doorlopende of alleen door werkperiodes van minder dan 30 dagen  onderbroken ongeschiktheid gedurende een jaar, een vergoeding van 50 % van het loon  als invaliditeitsvergoeding, met dien verstande dat deze vergoeding kan samengaan met  loon of andere beroepsinkomsten, welke het tweederde gedeelte van de vergoeding niet te  boven gaan;
c) in geval van onderbreking van de loonarbeid gedurende de termijn liggende tussen zes  weken voor en zes weken na de bevalling van de verzekerde, een vergoeding van 60 %  van het niet verdiende loon, mits de kraamvrouw op het ogenblik der bevalling gedurende  minstens 10 maanden verzekerd was geweest; 
d) in geval van overlijden voor den wettelijken leeftijd voor het pensioen, buiten de  gevallen van arbeidsongeval of beroepsziekte, een vergoeding aan de rechthebbenden van  de overleden verzekerde van 20 maal diens dagelijks loon of, voor de personen met een  wedde, van de wedde van een maand. 
Voor de vaststelling der verschillende bedoelde vergoedingen. zullen de werknemers  geacht worden een loon te verdienen dat vooraf voor eenieder zal vastgesteld worden  volgens de door elke paritaire commissie voor haar beroepscategorie vastgestelde  tarieven. 
22. De organisatie der verzekering zal worden toevertrouwd aan de landsbonden van  verbonden van erkende mutualiteitsverenigingen of, voor de niet onderling verzekerde  verzekeringsplichtigen, aan gewestelijk paritair door vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties en van arbeiderssyndicaten bestuurde diensten, met dien  verstande dat het mandaat dezer vertegenwoordigers onverenigbaar is met enigerlei  functie bij de mutualiteitsverenigingen. 
Slechts de landsbonden met ten minste 50 000 verzeke ringsplichtige leden en die reeds  ten minste 10 jaar bestaan, komen in aanmerking. 
23. De onder de regeling vallende werknemers zullen voor de verzekering tegen ziekte en  invaliditeit een inhouding ondergaan van 3,5 % op het loon der werklieden en van 2,75 %  op de wedde der bedienden tot een bedrag van 36.000 frank per jaar, welke ook het  gehele bedrag der wedde moge zijn. 
24. Aan de op de lonen of wedden ingehouden bedragen zullen de werkgevers bijdragen  toevoegen gelijk aan 2,5 % van het loon der werklieden en van 2.25 % van de wedde der  bedienden, tot het bedrag van 36.000 frank wedde per jaar. 
25. De werkgevers zullen aan de verzekerden bons afgeven, waarop het loonbedrag dat  als grondslag diende voor de inhouding van de bijdrage van de verzekerde en voor de  storting van de werkgever is vermeld. Deze bons zullen naar goeddunken door de  verzekerde aan de mutualiteitsvereniging zijner keuze of aan de paritaire gewestelijke  dienst worden overgemaakt. Zij worden bij de Rijksdienst voor verzekering tegen ziekte  en invaliditeit tot 90 % van hun waarde geïnd. De overblijvende 10 % zullen de Nationale  Commissie voor verzekering tegen ziekte en invaliditeit ertoe in staat stellen de  landsbonden of paritaire gewestelijke diensten welke, na onderzoek, blijken wettelijke  verplichtingen te hebben boven hun inkomsten, te subsidiëren. 
26. De landsbonden van verbonden van mutualiteitsverenigingen en de gewestelijke  paritaire diensten zullen bovendien van de Staat, door bemiddeling van de Nationale 
Commissie voor verzekering tegen ziekte en invaliditeit, subsidies ontvangen in  verhouding tot die welke de mutualiteitsverenigingen thans genieten. 
27. De Nationale Commissie voor verzekering tegen ziekte en invaliditeit zal, buiten de  reeds genoemde werkzaamheden, de werking van de toegelaten landsbonden en van de  gewestelijke paritaire diensten controleren en de nodige reglementen voor toepassing der  wet opstellen. 
Daarvan zullen deel uitmaken, een afgevaardigde van elke toegelaten landsbond van  verbonden van mutualiteitsverenigingen, een gelijk aantal afgevaardigden der  werkgeversorganisaties en der syndicale werknemersorganisaties en vertegenwoordigers  der erbij betrokken ministeriële departementen. 
In geval van tegenstrijdigheid tussen de gezamenlijke afgevaardigden der  werkgeversorganisaties en de gezamenlijke afgevaardigden der syndicale  werknemersorganisaties, zullen de betwiste kwesties ter beslissing aan de regering  worden voorgelegd. 
28. De aldus vastgestelde regeling heeft een voorlopig karakter. De afgevaardigden der  belanghebbende partijen behouden zich het recht voor, eventueel andere formules te  bestuderen, terwijl de wetgever zich met de opstelling van een definitieve regeling zal  bezighouden. 
C. - Werkloosheid buiten eigen schuld ten gevolge van gebrek aan werk 
29. De afgevaardigden van werkgevers en die van werknemers verbinden zich ertoe  zodra mogelijk gezamenlijk een stelsel van verplichte verzekering tegen werkloosheid uit  te werken. 
30. Zonder het in werking treden van dergelijk stelsel af te wachten, zal de  werklozensteun dadelijk onafhankelijk gemaakt worden van de Armenzorg en aan een  voorlopig steunfonds voor werklozen, onder paritaire controle, worden overgedragen. 
De kwestie van de instellingen voor de uitkeringen van de vergoedingen wordt  voorbehouden. 
Als werklozen zullen, met uitsluiting van de volgens de vooroorlogse regeling niet  verzekerbare bedrijfsgroepen, ondersteund worden : 
a) de zonder werk zijnde arbeiders die hetzij doorlopend tussen 1 januari 1938 en 10 mei  1940 als leden van een werklozenkas bekend zijn, hetzij als loontrekkenden gedurende  ten minste drie jaren, tussen 1 januari 1935 en 10 mei 1940, de bijdragen hebben gestort,  voorzien bij een der wetten betreffende de ouderdomsrenten; 
b) de arbeiders die aan deze voorwaarde niet voldoen zullen toch, in twijfelachtige  gevallen, erkend kunnen worden door een daartoe bestemde paritaire commissie 
(klachtencommissie) als, ingevolge hun vroegere werkzaamheid of hun vakstudies,  behorende tot een categorie van loonarbeiders die volgens de vooroorlogse  reglementering tegen werkloosheid verzekerbaar zijn. 
31. De werklozensteun zal vastgesteld worden op een bedrag van 50 % van het loon van  een hulparbeider in de gemeenten van de tweede categorie. Dit bedrag wordt met 10 %  verhoogd in de gemeenten der eerste categorie en met 10 % verlaagd in de gemeenten der  derde categorie. 
Voor de ongehuwden van achttien tot eenentwintig jaar en van beneden achttien jaar  zullen bedragen worden vastgesteld met dezelfde degressie als voor de oorlog. 
Voor de gezinshoofden zal het grondbedrag van de steun verhoogd worden met  kindertoeslag van hetzelfde bedrag als die aan de werkende arbeiders toegestaan, zonder  dat echter het totaal twee derde van het minimumloon van een hulparbeider, verhoogd  met kindertoeslag, of drie vierde van datzelfde loon voor gezinshoofden met ten minste  drie kinderen, mag overtreffen. 
32. Gedurende de overgangsperiode zullen eventuele inkomsten van het gezin van de  werkloze niet in aanmerking genomen worden. Maar natuurlijk moet de wil om te werken  bewezen worden en wel door de aangifte als werkaanvrager bij een openbare  bestedingsdienst en door aanneming van elk normaal werk waarvoor de werkloze  geschikt is, terwijl weigering kan leiden tot intrekking van elke steun. 
De openbare bestedingsdiensten zullen hun werk verrichten onder controle van een  paritaire commissie en het personeel dezer diensten zal met bijzondere zorg kozen  worden om zeker te zijn van volkomen bevoegdheid en onpartijdigheid. 
In geval van opschorting of intrekking van de steun zullen de werklozen hun geval aan  een paritaire commissie voor beroep (klachtencommissie) kunnen voorleggen, welke de  gegrondheid van weigeringen kan erkennen en ook de rechten op steun kan herstellen. 
Herscholingscentra zullen de veranderingen van beroep, die nodig zouden blijken,  vergemakkelijken. 
33. Noodzakelijkerwijs gestijfd door de Schatkist, zal het voorlopige steunfonds voor  werklozen bovendien van de aanvang af van werkgevers en van werknemers bijdragen  ontvangen tot voor elk der partijen 1 % van het loonbedrag, voor de jaarwedden tot  36.000 frank, dus in totaal 2 %. 
34. Werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers zullen alle mogelijke hulp verlenen  voor het economisch herstel en voor de te treffen maatregelen tot uitbreiding van de  normale arbeidsmogelijkheden. 
D. - Kindertoeslag
35. Aan de regering zal gevraagd worden dadelijk de voet van de bij de wet van 4  augustus 1930 voorziene toeslag vast te stellen op 100, 200, 300, 475 frank,  onderscheidenlijk voor een gezin met 1, 2, 3 of 4 kinderen, met een aanvulling van 250  frank voor elk kind te beginnen met het vijfde. Deze bedragen gelden voor de gemeenten  van de tweede categorie. Zij worden verhoogd met 20 % in de gemeenten der eerste  categorie en verlaagd met 20 % in de gemeenten der derde categorie. Deze drie  categorieën zijn die voor de werklozensteun voorzien. 
Voor de kinderen van meer dan 14 jaar die, volgens de bepalingen van de gecoördineerde  wet van 4 augustus 1930, kindertoeslag blijven genieten als leerlingen van een school  voor volledig algemeen onderwijs of vakonderwijs, zullen de bedragen gelijk zijn aan die  voor de gemeenten van de eerste categorie. 
36. De voor de betaling dezer vergoedingen benodigde bedragen zullen van de  werkgevers verkregen worden wier bijdragen op ongeveer 6 % van het bedrag der lonen  bepaald zullen worden, zonder inbegrip van het gedeelte van de wedden der bedienden  boven 36.000 frank per jaar. 
E. - Jaarlijks verlof 
37. Maatregelen zullen getroffen worden om zonder uitstel aan de werknemers vallende  onder de wet van 20 augustus 1938 betreffende de betaalde verlofdagen het volle genot  van de bepalingen dezer wet te verschaffen, volgens welke werkelijk, op het ogenblik van  het verlof zes dagen loon aan volwassenen en twaalf dagen aan jongelieden van minder  dan achttien jaar moeten uitbetaald worden. 
38. De voorstellen ter verbetering van de grondslag zelf van de wet van 20 augustus 1938  zullen later nagegaan worden, waarbij rekening zal worden gehouden met de economische evolutie. 
F. - Globale heffing en verdeling der bijdragen 
39. De door de werknemers voor de verschillende voorvermelde sociale prestaties  verschuldigde bijdragen zullen, op een globale wijze, door de werkgevers op het loon  worden ingehouden. Tezamen maken zij een bedrag uit van 8 % der lonen. Deze  bijdragen zullen, elk kwartaal, worden afgedragen aan een Nationaal Verdelingsfonds,  tegelijk met de door de werkgevers verschuldigde bijdragen, welke 15,5 % van de lonen  voor de werklieden en 13,5 % voor de bedienden bedragen. 
Dit Verdelingsfonds zal werken onder paritair toezicht. 
De te treffen overheidsmaatregelen in afwachting van het effectief in werking treden van  dit fonds zullen te gepaster tijd in studie worden genomen.
40. In het algemeen zal voor de werklieden de verdeling der bijdragen op de volgende  grondslagen geschieden: 
7 % van het bedrag der lonen voor ouderdomsrente, 
6 % van het bedrag der lonen voor ziekte-invaliditeit, 
2 % voor het bedrag der lonen voor onvrijwillige werkloosheid, 
6 % van het bedrag der lonen voor kindertoeslagen, 
2,5 % van het bedrag der lonen voor het jaarlijks verlof. 
41. Voor de bedienden zullen de grondslagen voor de verdeling de volgende zijn: 
8,5 % voor ouderdomsrente, 
5 % voor ziekte-invaliditeit, 
2 % voor onvrijwillige werkloosheid, 
6 % voor kindertoeslagen. 
42. Wettelijke maatregelen zullen worden getroffen ter verzekering van de geregelde  storting der verschuldigde bijdragen, zowel als van de gehele onafhankelijkheid van de  door werkgevers en werknemers betaalde gelden ten opzichte van de bezittingen van den  Staat. 
IV. BEGINSELEN EN METHODES VAN PARITAIRE SAMENWERKING A. -Binnen en omheen de ondernemingen 
43. In iedere onderneming met ten minste 20 loonarbeiders, zal een afvaardiging van het  personeel opgericht worden, die officieel bevoegd zal zijn om in overleg met het  bedrijfshoofd of met zijn vertegenwoordigers, al de kwesties te onderzoeken aangaande  de lonen, de arbeidsduur, de rustpauzen, het verlof, de hygiëne, de veilighe id, de  zedelijkheid, de klachten over het leidend personeel, de sancties, de afdankingen, het  werkplaatsreglement of, in 't algemeen, alle kwesties aangaande het regelen van de  arbeid, de tucht of het voorkomen van collectieve geschillen in de schoot der  onderneming. 
De vertegenwoordigers van het personeel zullen zekere voorwaarden moeten vervullen  ten aanzien van de leeftijd en van de aanwezigheid in de onderneming. 
De wet waarbij de vertegenwoordiging van het personeel wordt ingesteld zal geleidelijk  in werking moeten treden, hetzij met een maximum uitstel van zes maanden voor de  ondernemingen met meer dan 500 werklieden, van een jaar voor de ondernemingen die  van 100 tot 500 werklieden tellen en van twee jaar voor de ondernemingen van 20 tot 100  werklieden. 
44. A1 de sociale diensten door de onderneming opgericht voor het welzijn van het  personeel (huisvesting, vervoer, tuinbouw, gemeenschappelijke aankoop, eetzalen, sport,  ontspanning, verlof, ambachts- of algemeen onderwijs, bibliotheken, geneeskundige 
raadplegingen en zorgen, enz.) als zij niet aan het zelfbestuur der arbeiders overgelaten  zijn, zullen met hun medewerking beheerd worden. 
45. Teneinde de gehechtheid van het personeel aan de belangen van de onderneming te  onderhouden, zullen de bedrijfshoofden elke gunstige gelegenheid te baat nemen  (inventaris, balans of andere algemene verslagen over de loop der zaken) om aan de  vertegenwoordigers van het personeel de algemene toestand van de onderneming, de  verkregen successen, de overwonnen of verwachte moeilijkheden uiteen te zetten. 
B. - Op industrieel gebied 
46. Paritaire commissies bestaande uit vertegenwoordigers der bedrijfshoofden en uit de  vertegenwoordigers der loonarbeiders, de enen en de anderen aangeduid op voorstel der  als representatief erkende organisaties, zullen belast worden, in iedere groep van  gelijksoortige bedrijven: 
a) met de algemene bases van vergoeding vast te leggen die met de verschillende graden  van beroepskwalificatie overeenkomen; 
b) met het beraadslagen over de algemene arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder over die  welke verplicht in het werkplaatsreglement moeten voorkomen; 
c) met het onderzoek van de economische en sociale vraagstukken waarvan de  tewerkstelling van de arbeiders en hun arbeidsvoorwaarden afhankelijk zijn, met inbegrip  van het organiseren van de leertijd en van het beroepsonderwijs; 
d) met het helpen in gebeurlijk geval van de regeringsoverheden bij het voorbereiden en  het uitvoeren der wetten van belang voor de betrokken bedrijven; 
e) met het bijleggen van elk collectief geschil dat zich zou voordoen of dat zou dreigen te  ontstaan tussen bedrijfshoofden en loonarbeiders. 
47. Iedere paritaire bedrijfscommissie zal voorzien worden van een bureau samengesteld  uit een voorzitter, door de regering aangeduid, uit twee ondervoorzitters, respectievelijk  aangeduid door de groep der bedrijfshoofden en door de groep der arbeiders van de  commissie, en een secretaris door de regering aangeduid. 
De voorzitter en de secretaris zullen geen stemrecht hebben. 
48. De besluiten, met eenparigheid van stemmen getroffen, in de onder littera a) en b)  bedoelde kwesties, zullen bindend zijn voor al de betrokken bedrijven behalve verzet van  de regering. Dit verzet zal het voorwerp uitmaken van een gemotiveerde mededeling, in  gebeurlijk geval van de adviezen van de nationale economische raad vergezeld, met het  oog op een nieuw onderzoek door de paritaire commissie. 
49. Een paritaire commissie zal opgericht worden voor ieder der volgende  nijverheidsgroepen:
- kolenindustrie; 
- steen- en aardebedrijven (steengroeven, leigroeven, steenbakkerijen, cement fabrieken, kalkovens); 
- metaalnijverheid (met inbegrip van ijzer- en staalomvormers); 
- non-ferro metaalbedrijven; 
- metaal-, machine- en elektriciteitsbouw; 
- aardewerkbedrijven; 
- glasbedrijven 
- chemische bedrijven; 
- petroleumbedrijven (met inbegrip van de distributiediensten); 
- voedingsbedrijven; 
- hotelbedrijven (met inbegrip van de koffiehuizen en de restaurants); - textielbedrijven, kleding- en weefselbedrijven; 
- bouwbedrijven (woningbouw en openbare werken); 
- houtbewerkings- en stofferingsbedrijven; 
- leder- en huidenbedrijven; 
- voortbrenging en levering van gas en elektriciteit; 
- fabricage van papierpulp, papier en karton 
- boekdrukkerij en grafische kunsten; 
- vervoerbedrijven (spoorweg, auto's, trams, binnenscheepvaart, vliegwezen); - tabaksbedrijven ; 
- havenbedrijven en koopvaardijvloot; 
- diamentbewerking; 
- diverse bedrijven (spellen, speelgoed, wasserijen, enz.); 
- landbouwbedrijven. 
50. Elk der voorvermelde paritaire commissies kan verder in secties onderverdeeld  worden, op voorwaarde dat elke sectie in haar schoot het paritair principe behoudt. Elke  sectie kan aan de regering toevoeging van bijkomende leden vragen, die voorgesteld  worden door coöptatie van de zijde der bedrijfshoofden zowel als van de kant der  arbeiders. Deze bijkomende leden zullen geen deel uitmaken van de paritaire commissie  in pleno. Verscheidene secties zullen gemeenschappelijk kunnen beraadslagen. 
51. In de takken der economische bedrijvigheid waar de meerderheid der loonarbeiders  onder het regime van het arbeidscontract valt, zoals in de banken, de particuliere  verzekeringen, de groothandel, de grote warenhuizen, de havenkantoren, de in- en  uitvoerhandel, zullen paritaire commissies kunne n worden ingesteld op voorwaarde dat  de aanvraag ervoor zal gedaan worden door voldoende representatieve organismen, hetzij  van de bedrijfshoofden, hetzij van de arbeiders die bedrijvigheidstakken. Zij zullen,  bijvoorbeeld, minimum 40 % der belanghebbende loonarbeiders moeten omvatten. 
52. In geval van twijfel of geschil zal een paritaire commissie voor verhaal ermee belast  worden de paritaire commissies aan te duiden waarvan de ondernemingen en de arbeiders  afhangen, alsook hun vertegenwoordigende organisaties-
Zij zal samengesteld zijn uit vertegenwoordigers der bedrijfshoofden en uit  vertegenwoordigers der arbeiders, de enen zowel als de anderen aangewezen op voorstel  van de organisaties die als representatief erkend zijn, hun bedrijvigheid over geheel het  grondgebied van het land, en over al de bedrijven en bezoldigde beroepen uitstrekken. 
Zij zal onder de leiding staan van een bureau dat samengesteld is uit een voorzitter,  gekozen tussen de magistraten van de rechterlijke orde, uit twee ondervoorzitters,  respectievelijk aangeduid door de groep der bedrijfshoofden en door de groep der  arbeiders van de commissie en uit een secretaris door de regering aangeduid 
De secretaris zal geen stemrecht hebben. De commissie beslist bij meerderheid' van  stemmen. 
C. - Op nationaal gebied 
53. De representatieve organismen der bedrijfshoofden en der arbeiders zullen vragen om  paritair vertegenwoordigd te worden in alle adviserende of uitvoerende raden die bij de  openbare overheden ingesteld zijn tot het behandelen van zaken aangaande de arbeid of  de maatschappelijke voorzorg, voor zaken betreffende onderwijs of openbare  gezondheid, voor economische of andere zaken die tegelijk het leven der arbeiders en de  bedrijvigheid der ondernemingen aanbelangen. 
Hun vertegenwoordigers in deze verschillende raden, zoals een Rijksarbeidsraad, een  Rijksraad voor Sociale voorzorg, een Rijksraad voor Volkshuishouding, een Rijksraad  voor Volksgezondheid, een Rijksraad voor Onderwijs en Cultuur, zullen worden  aangeduid op voorstel van de interprofessionele organisaties die als representatief erkend  worden voor geheel het land. 
D. - Op internationaal gebied 
54. De representatieve organisaties der bedrijfshoofden en der arbeiders zullen vragen  insgelijks betrokken te worden in de internationale samenwerking op het genoemde  gebied waaraan België zal deelnemen. 
E. Over de algemene beslechting van de collectieve geschillen 
55. Buiten de middelen tot verzoening die door de samenwerking tussen de  bedrijfshoofden en de afgevaardigden van hun persone el en door de beraadslagingen der  paritairé bedrijfscomités worden opgeleverd, zal er een Algemene Paritaire Commissie  ingesteld worden waaraan de geschillen die niet door de paritaire bedrijf-comités konden  bijgelegd worden, zullen kunnen onderworpen worden, met het oog op een nieuwe  verzoeningspoging. 
Dit beroep bij de Algemene Paritaire Commissie zal geschieden hetzij op aanvraag van  een der betrokken partijen, hetzij op initiatief van de regering.
De Algemene Paritaire Commissie zal ook belast worden met het bestuderen van de  sancties die zouden kunnen voorzien worden tegen de bedrijfshoofden of de arbeiders, of  tegen de organisaties die de enen of de anderen vertegenwoordigen, die de eenparige  besluiten door de paritaire comités genomen en bindend gemaakt als gezegd in punt 6,  niet zouden naleven. 
De Algemene Paritaire Commissie zal ook uitspraak doen in ieder afzonderlijk geval,  over de werkelijk te nemen sancties ten opzichte der in gebreke bevonden  vertegenwoordigende organisaties. 
Zij zal uit een klein aantal leden bestaan, paritair benoemd respectievelijk op voorstel van  de interprofessionele organisaties der bedrijfshoofden en van de interprofessionele  organisaties der arbeiders die als representatief werden erkend voor geheel het land. Haar  bureau zal samengesteld worden als gezegd onder punt voor de paritaire bedrijfscomités. 
F. - Over de als representatief erkende organisaties 
56. Als representatief zullen alleen erkend worden die organisaties der bedrijfshoofden of  der arbeiders die, hun werkzaamheid uitstrekkende over geheel het Belgisch gebied en tot  al de bedrijven of bezoldigde beroepen, zullen kunnen bewijzen, de eerste, dat zij  gedurende het vorig jaar bijdragestortende leden telden die gemiddeld ten minste 200.000  loonarbeiders in dienst hadden, de tweede, dat zij gemiddeld ten minste 200.000  bijdragebetalende leden telden. 
De organisaties die hun werkzaamheid beperken tot zekere bedrijven of beroepen of tot  zekere streken, zullen als representatief erkend worden als zij kunnen bewijzen dat hun  gemiddeld effectief van het vorig jaar ten minste 20 % van de loonarbeiders der bedrijven  of beroepen in bedoelde streek omvat. 
Alle zullen daarenboven in hun statuten moeten vermelden dat zij het principe der  paritaire samenwerking zoeken te ontwikkelen tussen de vertegenwoordigers van de  bedrijfshoofden en de vertegenwoordigers van de arbeiders in het kader van de Belgische  Staat, en bewezen hebben dat hun leiders vrij door de leden verkozen werden en hun  periodiek op de hoogte houden van hun beheer.

​
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.